Naar de inhoud
Tijd voor Klokken
Menu

Begrippenlijst

42 termen die in klokkenbeschrijvingen terugkomen, in gewone taal uitgelegd.

Alfabetisch geordend
AnkergangGang waarbij een ankervormig deel de tanden van het gangrad om beurten vasthoudt en loslaat. Gangbaar toegeschreven aan William Clement rond 1670. Maakte een lange slinger met kleine uitslag mogelijk.
BahnhausleKastvorm van de koekoeksklok naar het model van een spoorwachtershuisje, voortgekomen uit een prijsvraag van september 1850 in Furtwangen.
BelhekDoorbroken messing sierstuk boven of naast de wijzerplaat van een Zaanse klok, ook fret genoemd.
BimbamSlagwerk met twee tonen, meestal een klankstaaf hoog en laag, dat op het halve en hele uur klinkt.
BroodblikBlikken kap over het uurwerk van een comtoise, genoemd naar de vorm.
ComtoiseFranse gewichtklok uit de Jura, ontstaan rond 1680, met herhalingsslag en brede messing slinger.
DachluhrLatere, soberder vorm van de Weense regulateur, vanaf circa 1830. De term is achteraf bedacht.
EchappementFrans woord voor gang: het deel dat de energie in gelijke porties doorlaat en het tikken maakt.
FretGegoten messing sieraad op een Zaanse of Friese klok, vaak met een devies.
GangradHet laatste rad in de raderketen, dat samenwerkt met de gang.
GangreserveDe tijd die een klok nog loopt zonder opnieuw te worden opgewonden.
GewichtklokKlok die door dalende gewichten wordt aangedreven in plaats van door een veer.
HalfuurslagEnkele slag op het halve uur, met het aantal uren op het hele uur.
HerhalingsslagEigenschap van de comtoise: het uur wordt na ongeveer twee minuten nog een keer geslagen.
JaarpenduleKlok met torsieslinger die ongeveer een jaar loopt op een opwinding, bedacht rond 1880.
KettingradRad met tanden die in de schakels van de ketting grijpen, gebruikelijk bij koekoeksklokken.
LantaarnklokVroege gewichtklok met een open messing kooi, opgehangen aan een muurbeugel.
LaterndluhrVroege Weense regulateur met driedelige kast en beglazing aan drie zijden.
MaanfaseAanduiding boven de wijzerplaat die de stand van de maan in een cyclus van ruim 29 dagen volgt.
MoederklokCentrale klok die andere klokken in een gebouw met een impuls gelijk laat lopen.
MorbierklokAndere naam voor de comtoise, naar het dorp Morbier in de Franse Jura.
OphangveerDunne stalen veer waaraan de slinger hangt; kwetsbaar bij vervoer.
PenduleFranse tafelklok met slinger, meestal voor de schoorsteenmantel.
PlatineEen van de twee plaquettes waartussen de raderen van een uurwerk zijn gemonteerd.
QuartzUurwerk dat de tijd afleidt uit de trilling van een kristal, meestal 32768 trillingen per seconde.
RadiografischUurwerk dat zichzelf gelijkzet op een tijdsignaal, in Europa meestal DCF77 uit Mainflingen.
RegulateurKlok gebouwd op nauwkeurige gang, zonder slagwerk, met een lange slinger.
RepetitieVoorziening waarmee het slagwerk op verzoek nogmaals klinkt, vaak met een trekkoord.
SchippertjeKleine Friese wandklok met korte, vaste slinger.
SecondeslingerSlinger met een halve zwaai van een seconde, lengte ongeveer 99,4 centimeter.
SkeletklokKlok met uitgezaagde platines waardoor het raderwerk zichtbaar blijft.
SlagwerkHet deel van een klok dat geluid maakt op vaste momenten, aangedreven door een eigen veer of gewicht.
SlingerlensDe schijf onderaan de slinger, met daaronder de regelmoer.
SnekKegelvormige schijf die de afnemende kracht van een veer gelijkmatig maakt.
SpillegangOude gang met een verticale spil en korte slinger, herkenbaar aan de snelle tik.
StaartklokFriese wandklok met een verlengstuk onder de kast voor een langere slinger.
StoelklokFriese wandklok waarvan het uurwerk op een beschilderde console met vier poten staat.
StolpGlazen kap over een klok, bedoeld om stof buiten het raderwerk te houden.
TapHet dunne uiteinde van een as, dat in het gat in de platine draait.
TorsieslingerSchijf met gewichten aan een dunne veer die heen en weer draait in plaats van zwaait.
WestminsterSlagmelodie in vier kwartieren, oorspronkelijk de Cambridge Quarters uit 1793.
WijzerwerkHet raderwerk achter de wijzerplaat dat de verhouding tussen uur- en minuutwijzer regelt.